You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
In zijn impressies van het 39e IPA-congres maakt Ubbels gewag van de crisis die de psychoanalyse in de gehele wereld doormaakt. Het is een geluid dat al een tijdje rondzingt: minder aanmeldingen voor de verenigingen, minder hoogleraren-psychoanalytici, de irrelevantie van het analytische denken voor het DSM-systeem, analytici niet meer als de conquistadores van het nieuwe denken - integendeel: als de hoeders van het gevestigde belang (zie bijvoorbeeld ook Sorbi 1993 en Schnabel 1993). Toch betekent dat vooralsnog niet dat het psychoanalytische gedachtengoed geleidelijk verloren aan het raken is. De vind- en broedplaatsen blijven nog steeds de werken denkwijze van de analytici, de cultuur in zijn brede betekenis, maar ook en vooral de psychotherapiewereld, die ervan doordrenkt is.
Groepspsychotherapie is een vorm van psychotherapie die op zijn vruchtbaarste momenten conceptueel nog steeds volop psychoanalytisch is; binnen de twee belangrijkste organisaties ervan - de International Association of Group Psychotherapy en de American Group Psychotherapy Association - (evenals in de Nederlandse Vereniging voor Groepspsychotherapie) is de basisvorm nog steeds wat genoemd wordt groepsdynamisch, groepsanalytisch. In Engeland bloeit de groepsanalyse, en de leermeesters uit dat land geven al lang seminaria in de rest van Europa en in wat vroeger ‘het Oostblok’ heette. Hun orgaan, Group-Analysis, is een lezenswaardig tijdschrift dat ook buiten eigen kring invloed heeft. Het International Journal of Group Psychotherapy, het officiële orgaan van de AGPA, is ook voor psychoanalytici zeer de moeite waard.
Neem het laatste nummer (Jaargang 45 [3], juli 1995). Woede en agressie zijn de thema's, en de artikelen erover zijn heel verhelderend. Hoeveel van de auteurs ook als zodanig opgeleide analytici zijn weet ik niet, maar ze zijn allemaal grondig op de hoogte van de analytische literatuur en dragen ertoe bij. Vaak is de echo te horen van Winnicott (1949), die in die klassieke tekst zeg