You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
Wat hebben de psychoanalyse en Salman Rushdie met elkaar gemeen? Is Freud de Rushdie van de psychologie en de psychotherapie? Deze associatie kwam bij me op na het lezen van dit merkwaardige en zeer interessante boek, waarin twee Indiase sociale wetenschappers en onderzoekers het opnemen tegen wat een ‘wetenschapsfilosofisch fundamentalisme’ genoemd kan worden.
Deze filosofische kritiek hanteert binnen het globale demarcatiedebat - zo tonen de auteurs uitvoerig aan - zeer eenzijdige en onrealistische externe criteria betreffende wat wetenschappelijke kennis is, hoe deze tot stand moet komen en toegepast moet worden. Ook in haar evalueren van de wetenschappelijke merites van de psychoanalytische theorie tiranniseert een invloedrijke naïeve opvatting over de eenheid van kennissystemen, een utopische unitaire rationaliteit. Een dergelijke fundamentalistische houding ten aanzien van de fundering van wetenschap heeft metafysische en epistemologische implicaties: metafysisch vanuit de premisse dat realiteit gegarandeerd kenbaar is zonder verstoring door het functioneren van het menselijk denken; epistemologisch door uit te gaan van geprivilegeerde, als evident en pre-theoretisch opgevoerde criteria in de constructie van kennissystemen, criteria die zelf niet gerechtvaardigd hoeven te worden. Zowel de post-positivistisch-empiristische als de fenomenologisch-humanistische kritieken op de psychoanalyse hebben geen of onvoldoende oog voor de rol die menselijke cognitie (het functioneren van ons ‘mentaal apparaat’) speelt in het construeren van kennis. En aangezien de auteurs de psychoanalyse zelf als een cognitieve wetenschap bij uitstek karakteriseren, is de vergelijking met de Khomeiny-islam, die ook niets van literatuur zou begrijpen, niet zo vergezocht. De als fundamentalistisch bestempelde wetenschapsfilosofie benadert de psychoanalyse als het ware zoals het moslimfundamentalisme reageerde op De duivelsverzen. Met de moed van Socrates, de eerste anti-fundamentalist, ve