You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
‘De droom’, schreef Freud (1901), ‘is de hoeder van de slaap.’ Onbewuste wensen worden in de droom symbolisch en onherkenbaar gemaakt, zodat de slaap ongestoord kan voortgaan. Hoewel Freud in zijn Traumdeutung (1900) uiteenzet dat alle dromen een wensvervullend karakter hebben, komt hij hier wat betreft de angstdroom in Jenseits des Lustprinzips (1920) op terug. De angstdroom of nachtmerrie heeft vaak een herhalingskarakter en de droom is een herformulering van het trauma, een poging om de angst achteraf meester te worden. De nachtmerrie is een droom waaruit de slaper vaak nog voor de ontknoping wakker schrikt, overspoeld door emoties. In de angstdroom heeft de vermomming van de driftmatige strevingen gefaald, waardoor de angst te hoog oploopt en de dromer wakker wordt. Zoals wel vaker bij angstdromen, wordt de dromer bang voor de angstdroom op zich, waardoor er angst om te gaan slapen ontstaat. Zo ook bij Diana, een meisje van veertien jaar, dat tijdens haar acute ziekenhuisopname diverse angstdromen had en sindsdien last had van in- en doorslaapproblemen en depressieve gevoelens. In de behandeling van Diana speelde de nachtmerrie een belangrijke rol. Daar er veel weerstand was bij dit pubermeisje ten aanzien van het analyseren van haar dromen, werd gekozen voor een in eerste instantie egoversterkende aanpak waardoor zij tenslotte de droom in de therapie durfde te brengen, en deze geanalyseerd kon worden.
De meeste huidige auteurs zijn het erover eens dat de angstdroom niet