You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
Eric, een pittig, vijfjarig kereltje met een goed verstand, was wegens onhanteerbare driftbuien en broekpoepen twee jaar lang in een wekelijkse psychoanalytische therapie. De goede resultaten daarvan leidden - enigszins paradoxaal - achteraf tot de vraag of deze jongen baat zou hebben gehad bij een hogere frequentie. Hieronder volgt daarover een kleine beschouwing. Maar eerst - in vogelvlucht - de therapie.
De eerste paar maanden speelde Eric alleen maar moedertje.
Dat hield in dat alle speelgoeddieren vieze luiers hadden, die verschoond moesten worden, waarbij de dieren bestraffend werden toegesproken. Het was een duidelijk ‘turning passive into active’. Eric liet zien wat hem in de realiteit overkwam. Eric was meestal de strenge moeder, maar soms ook de baby. Dan was hij juist een erg lieve baby. Regressie was voor hem een ander belangrijk afweermechanisme, want hij wilde dolgraag lief gevonden worden. Maar hij wilde ook groot worden en die twee wensen leken niet goed samen te gaan.
Na enkele maanden kwam Eric met het geslachtsverschil: hij koos voor het poppenhuis een vader, een moeder en een jongetje en speelde een nachtelijke scène waarbij groot worden en (seksuele?) intimiteit aan elkaar gekoppeld werden. Het met succes op de W.C. poepen betekende zowel