You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
Naar aanleiding van zijn recentste publikatie Le premier entretien en psychothérapie (Dunod, Paris, ) werd Edmond Gilliéron door de Vlaamse Vereniging voor Psychoanalytische Therapie uitgenodigd voor een workshop ten huize van het U.P.C. Sint-Jozef te Kortenberg.
Edmond Gilliéron, psychoanalyticus, is hoogleraar psychiatrie en hoofd van de Universitaire Polikliniek van Lausanne. Sinds kort doceert hij ook aan de Universiteit van Montréal. Hij publiceerde voornamelijk over groepstherapie en over kortdurende analytische psychotherapie, en werkte recent een vier-gesprekken-model uit dat toepasbaar is in de breedste hedendaagse consultatiepraktijk.
Daar dit model weinig bekend is in het Nederlandstalig gebied, geven we er de hoofdlijnen van weer zoals Gilliéron ze zelf in een inleidende uiteenzetting voorstelde. Gilliéron baseert zijn kortdurende benadering op inzichten in de processen die psychotherapie nodeloos verlengen en niet zoals in andere kortdurende modellen op economische overwegingen of op vooraf afgebakende psychopathologische categorieën. Hij ambieert een benadering die zich richt tot de breedste waaier van psychopathologie - van neurose tot psychose - die zich op het spreekuur kan aanbieden. Het is immers de patiënt die de techniek van de therapeut dient te bepalen, en niet andersom. Techniek of stijl acht hij ondergeschikt aan de denkactiviteit van de therapeut. Een bepaalde therapeutgebonden techniek of stijl staat immers vaak in functie van de persoonlijke psychische economie van de therapeut als een uiting van weerstand tegen het psychoanalytisch kader. In een historisch overzicht van de kortdurende therapieën (Alexander, Bellack, Balint, Malan, Sifneos, Davanloo, Strupp,…) belicht Gilliéron hoe de actieve positie die vele analytici voorstellen een niet-geanalyseerde, aan de patiënt opgelegde positie is. Evenzo staat de keuze van een focus in focale therapie dikwijls meer in functie van tegenoverdracht dan van de dynamiek van de patiënt. Dit is in tegens