You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
Op deze drukbezochte studiemiddag werd op een fraaie locatie in Utrecht een viertal lezingen gehouden waarvan drie een duidelijk klinisch perspectief hadden. Aan de hand van gevalsbeschrijvingen lieten de sprekers ons zien op welke wijze de dood kan ingrijpen in het leven en de ontwikkeling van een kind. In de lezingen kwam bovendien naar voren wat de mogelijkheden en grenzen van psychotherapie zijn. De vierde lezing had een meer theoretisch karakter. Als eerste deed collega Ubbels verslag van de analyse van een meisje van tien jaar oud dat op vierjarige leeftijd haar vader verloor. Zij was erbij aanwezig toen haar vader ritmestoornissen kreeg en onwel werd. Ubbels liet op heldere wijze zien wat de moeilijkheden en factoren waren die de ontwikkeling van het meisje belemmerden. Ook maakte hij duidelijk welke problemen men als therapeut kan tegenkomen in therapieën met kinderen die getraumatiseerd zijn door het overlijden van een ouder of sibling. Hij begon zijn lezing met de beschrijving van de gevolgen die de traumatische dood van de vader voor dit kind had. Een extra complicatie vormde de heftigheid van haar, oedipale, gevoelens vóór vaders dood. Gevoelens die na zijn overlijden zo heftig werden dat ze soms tot paniek leidden. Ubbels toonde aan dat de onmogelijkheid de oedipale situatie normaal al te wikkelen bij zijn patientje tot allerlei angsten aanleiding gaf, met name de angst voor verschillen. De oedipale werkelijkheid is immers bij uitstek gebaseerd op verschillen.
Daarnaast was de werkelijkheid van de overleden vader, in een ultieme poging tot reparatie, van het bewustzijn afgesplitst. Nadat deze realiteit door het patiëntje onder ogen kon worden gezien ontstond er ruimte voor fantasie. Toen pas kon zij zich met haar vader identificeren en het rouwproces kon alsnog op gang komen.