You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
De Stichting Psychoanalyse en Cultuur organiseerde haar vijfde studiedag, met dit jaar als onderwerp Psychoanalyse en Geschiedenis. Omdat dit zeer veelomvattende gebied nog tamelijk onontgonnen is, hadden de organisatoren besloten om zich, na een algemene inleiding, voornamelijk te beperken tot het thema Trauma, angst en geweld.
Die algemene inleiding werd gehouden door prof. dr. A. Mitzman. Hij legde de nadruk op de analogie tussen de revolutionaire opstand zoals onze maatschappijen die kennen en de oedipale opstand tegen de vader. In vroeger eeuwen vormden koning, kerk en adel een bedreiging voor de pre-oedipale band met de nationale moeder. Aan het eind van de negentiende eeuw werden de revolutionaire theorieën populistisch van aard, terwijl na de introductie van het kapitalisme de vertegenwoordigers van het kapitaal beschouwd gingen worden als de vijand die de agrarische idylle bedreigde.
Hierna sprak dr. W. op den Velde over oorlogsneurosen en psychoanalyse: puttend uit de rijke documentatie over ervaringen van legerartsen uit zowel de Eerste als de Tweede Wereldoorlog, hield hij een boeiend betoog over de verschillen in trauma's tengevolge van beide oorlogen. Hij vestigde de aandacht op het opmerkelijke feit dat na de tweede wereldoorlog psychiaters die hebben meegewerkt aan een euthanasieproject van de nazi's, niet vervolgd zijn. Dr. H. Pott wees er in haar coreferaat op dat het na Plato's traktaat over de dood van Socrates tweeduizend jaar geduurd heeft voordat met Heideggers Sein und Zeit de dood weer op de filosofische agenda verscheen. Waar de vorige spreker sociaal-psychische factoren aan de orde stelde, zoals het onvermogen om te rouwen en de narcistische krenking om de culturele ontkenning van de dood te verklaren, heeft deze ontkenning volgens mevrouw Pott ook te maken met een breuk in het culturele superego.
Dr. S. Leibovici liet op overtuigende wijze het belang van de ‘psychobiografie’ zien, ‘halverwege de psychoanalyse en de geschiedenis’. Zij vergele