You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
Een door sommigen vergeten en door anderen onontdekte pionier van de psychoanalyse wordt hier in ere hersteld. Dat althans is de bedoeling van de vele medewerkers aan dit boek.
Fairbairn was een eigenzinnige figuur die als psychoanalyticus afgezonderd leefde en werkte in het Schotse Edinburgh, ver van Londen, waar alle psychoanalytische activiteiten in Groot-Brittannië zich concentreerden. Dat belette hem niet er originele ideeën op na te houden en net als Melanie Klein was hij een systeembouwer. Vergeten we niet dat de meeste van zijn publicaties reeds dateren van de jaren dertig en veertig (gebundeld in The psychoanalytic Studies of the Personality, 1952).
Algemeen wordt Fairbairn, samen met Melanie Klein, beschouwd als de grondlegger van de objectrelatietheorie. In dit boek krijgen we door bijdragen van onder meer Otto Kernberg, Stephen A. Mitchell, Thomas Ogden en James S. Grotstein een helder overzicht van Fairbairns vernieuwende ideeën.
Om te beginnen zette hij zich af tegen de libidotheorie zoals ze door Freud en de overige psychoanalytici tot dan verkondigd werd. Volgens hem is de libido geen drift die naar ontlading zoekt en zich aanvankelijk overwegend auto-erotisch zou manifesteren. Hij is integendeel een energetische functie van het Ego in diens zoektocht naar aangepaste objecten. Derhalve functioneert hij niet volgens het lust-principe maar volgens het realiteitsprincipe. Er bestaat vanaf de geboorte een compleet Ego (en geen Es), dat als sleutelfunctie heeft het zoeken naar een object dat aan zijn infantiele afhankelijkheidsbehoeften tegemoetkomt. De psychische ontwikkeling geschiedt van de infantiele afhankelijkheid van het primaire object, via een transitionele periode, naar de volwassen afhankelijkheid. Verder beschouwt hij de erogene zones niet als primaire determinanten van libidinale doeleinden maar als ‘kanalen’ die de hechting aan de vroegste objecten vergemakkelijken.
Opvallend is dat hij het belang van de driftmatige ‘fasenontwikkeling’ als klein