You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
Onder deze titel organiseerde de Stichting Psychoanalyse en Cultuur op zaterdag 5 oktober 1996 een studiedag in de nieuwe congreslokalen van het Universitair Centrum Sint Jozef in Kortenberg.
In zijn inleiding wees professor Pierloot op Freuds grote belangstelling voor dit onderwerp, waarvan verschillende van zijn publicaties getuigen. Meer in het bijzonder verwees hij naar Totem en Taboe (1912-1913). Hierin ziet Freud in de totemverering de oorsprong van de latere helden- en godenverering.
Professor Thoden van Velzen ging na wat de raakvlakken zijn van de psychoanalyse met de studie van maatschappij en cultuur. Beide komen door mensen tot stand en derhalve mist de antropologie een visie op de menselijke geest en op de wisselwerking tussen het individu en de groep. De psychoanalyse houdt zich bezig met het eerste probleem en levert ook een bijdrage tot het tweede.
Om succesvol te kunnen werken moeten zowel de antropoloog als de psychoanalyticus kunnen doorstoten tot vroegere, verborgen lagen. Maar hier beschikt de antropoloog, in vergelijking met de analyticus, over heel wat minder troeven. Zijn mogelijkheden tot contact en vragenstellen zijn immers veel beperkter. De motivatie van de analysant is doorgaans sterker en bovendien is de psychoanalyticus beter geschoold in het onderkennen van over-drachts- en tegenoverdrachtsverschijnselen. Is de positie van de antropoloog totaal hopeloos? Welnee! Hij kan zich bijvoorbeeld concentreren op perioden van sociale en politieke omwenteling. Dan verschuiven immers de posities en komen gevoelens aan de oppervlakte. Freud van zijn kant stelt dat sommige uitingen en eigenschappen van het Boven-Ik beter herkenbaar zijn in het gedrag van de enkeling binnen zijn cultuurgemeenshap dan in dat van het individu (1930).
Thoden van Velzen illustreerde een en ander met zijn bevindingen uit een antropologisch onderzoek bij de Djoeka bosnegers van het Surinaamse binnenland. Rond de eeuwwisseling konden bepaalde ondernemers bij deze Djoeka bosneg