You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
Ongeveer halverwege het boek lezen we dat de kliniek van de psychose niet alleen de toetssteen is van elke analytische theorie, maar ook een terrein waar bijzonder veel te leren valt over de neurose en de perversie (p. 69). Ik denk dat de schrijfster hierin volledig gelijk heeft. De psychose confronteert ons immers met de strijd zelf om het menselijke, het psychische, een strijd die ook voor het niet psychotische subject nooit gestreden is. Het boek biedt een geslaagde en grondige poging om deze bewering te illustreren. De auteur weet voortdurend kliniek en theorie aan elkaar te spiegelen en onderling te verstrengelen. Met tal van vignetten van in de psychiatrische kliniek opgenomen patiënten brengt zij niet enkel met veel respect de psychoticus maar ook de lacaniaanse psychosetheorie tot leven. Of de lacaniaanse theorie deze klinische toetssteen ook doorstaat, zoals Billiet de lezer wil doen geloven, blijft voor mij een open vraag. Het is al een hele verdienste om deze vraag zo scherp vanuit de klinische praktijk op tafel te werpen dat de discussiepunten eromheen helderder dan meestal het geval is naar voren komen.
Terwijl de verzameling artikelen waaruit het boek bestaat door de auteur zelf in het woord vooraf een ‘samenraapsel van fragmenten’ wordt genoemd, komt het geheel toch over als één stevige brok lectuur waarin zeer consequent een welbepaald denken is doorgevoerd. Die eenheid komt mede tot stand door het voortdurend benaderen van de problematiek vanuit Lacans drie ordes: het Reële, het Imaginaire en het Symbolische, en dus bijvoorbeeld niet vanuit Lacans vier discours (vergelijk Verhaeghe 1994). De psychose wordt namelijk gekarakteriseerd door de bijzondere verhouding tussen de drie ordes: door de verwerping van de betekenaar van de Naam-van-de-Vader werden ze niet borromeaans verknoopt (vergelijk Mooij 1976, p. 155 e.v.; De Kroon 1993, p. 93 e.v.). Het moge duidelijk zijn dat ook in deze lacaniaanse publicatie het primaat van de symbolische orde, van de be