You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
In het derde nummer van de derde jaargang publiceerde uw tijdschrift een artikel over De Franse connectie - Een geschiedenis van de psychoanalyse in België van de hand van Dany Nobus en Katrien Libbrecht. Het vermelde artikel bevat mijns inziens een aantal onjuistheden die rechtgezet moeten worden.
Ik begin met iets wat makkelijk controleerbaar is. Op pagina 139-140 schrijven Nobus en Libbrecht dat de leden van de EBP/BSP tijdens de jaren zeventig zo vaak in het Tijdschrift voor filosofie publiceerden dat dit laatste aldus wel eens op een tijdschrift voor lacaniaanse psychoanalyse ging lijken. Als lezer van vermeld tijdschrift verbaasde deze uitspraak mij ten zeerste. Controle van vermelde claim leerde mij dan ook dat deze nogal boude bewering de realiteitsproef niet kan doorstaan. Zo verschenen bijvoorbeeld in de door mij systematisch nagekeken periode (, maar de periode tussen en 1974 geeft echt geen ander beeld) 95 artikelen in het Tijdschrift voor filosofie. Zes daarvan handelen rechtstreeks over psychoanalytische thema's of hebben een psychoanalytische inslag. Slechts één ervan handelt exclusief over Lacan (artikel van P. Moyaert over de metafoor en de metonymie bij Lacan uit ). Daarnaast is er nog een artikel van A. Mooij uit 1980 dat gedeeltelijk aan Lacan gewijd is. Net iets te weinig naar mijn smaak om van een ‘Tijdschrift voor lacaniaanse psychoanalyse’ te spreken.
Ook op andere plaatsen geven Nobus en Libbrecht de historische feitelijkheid minstens onvolledig weer. Zo beweren de auteurs op pagina 137 e.v. dat de introductie van de psychoanalyse in Leuven in de eerste plaats via De Waelhens zou zijn verlopen. Meteen wordt de invloed van Vergote en Schotte in de jaren zeventig en tachtig gesitueerd (p. 139). Nu ben ik de laatste om het belang van het werk van De Waelhens te onderschatten of te willen minimaliseren. Ongetwijfeld was De Waelhens trouwens via het werk van Merleau-Ponty, met wie hij goed bevriend was, reeds (minstens) in de loop van de jaren ve