You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
Daar waar ik werk - in RIAGG-verband en in eigen praktijk - is er een consensus aan het ontstaan waarvan ik ongemerkt deel ben gaan uitmaken. Er wordt een continuüm geconstrueerd met aan de ene kant de analyse als behandelinstrument en aan de andere kant het toedienen van medicatie, met een kort, steunend contact. Daartussen zijn1 dan vis-à-visbehandelingen, ook weer openleggend en meer steunend structurerend, die tweemaal per week, eenmaal per week of eenmaal per veertien dagen plaatsvinden. De duur verschilt ook zeer, waarbij de AWBZ-beperking van negentig maal een rol speelt maar ook het beleid van RIAGG-directies om psychotherapie ‘kort’ te laten duren. De laatste tien jaar is daar - mede omdat de bijwerkingen veel beter in de hand te houden zijn - een toegenomen gebruik van medicatie bijgekomen. Pillen en praten is het fundament aan het worden voor veel van het praktisch therapeutisch handelen. Het is het psychiatrische fundament, dat ook binnen de psychotherapie geaccepteerd aan het raken is. De twee uiterste punten op de lijn van de indicatiestelling worden slechts bij wijze van uitzondering betreden. Een psychoanalyse sensu stricto wordt zelden geïndiceerd en dan nog alleen na een zeer grondig onderzoek. Oosterhuis (1997) neemt hier stelling tegen in een artikel waarvan de radicale aard pas blijkt bij grondige herlezing. In hoeverre de praktijk van ‘slechts medicatie’ wordt toegepast onttrekt zich aan mijn waarneming.
Deze vanzelfsprekendheid van pillen en praten begint voor mij te wankelen door een aantal gevallen waarvan ik het psychotherapeutische spoor niet meer goed kon volgen en waarin de patiënt verknoopt raakte in de macht van de pil. Over één volgt hier een beknopt bericht.
Mag ik u voorstellen: Mr. G. de Vries, advocaat, sinds vier jaar vennoot van Lamberts, De Vries & Van der Meer, advocaten, gevestigd in de Randstad. Ik ken hem nu tien jaar. In 1988 kwam hij - hij was toen tweeëndertig jaar oud - bij mij met angst- en paniekklachten. De