You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
In de serie Gender/Psychologie/Hulpverlening, onder redactie van Anja Meulenbelt, verscheen rond moederdag 1997 deze bundeling van opstellen, waarvan de meeste de moeder-dochterrelatie als thema hebben.
In de verantwoording vermeldt de auteur dat de meeste artikelen geschreven zijn naar aanleiding van uitnodigingen voor voordrachten over het betreffende onderwerp.
Vakgenoten hebben ruimschoots de gelegenheid gehad om kennis te nemen van haar werk, dat in veel tijdschriften en opstellenbundels is verschenen; door dit boek zijn haar gedachten over dit belangrijke onderwerp voor een groter publiek toegankelijk gemaakt.
‘Mijn moeder is zo groot in mijn hoofd’, staat op de achterflap; en het maandblad OPZIJ dat in mei 1997 een groot interview met Iki Freud publiceerde, kopte: ‘De moeder blijft altijd de hoofdpersoon in een vrouwenleven.’
In het hoofdstuk Electra versus Oedipus, dat in 1996 geschreven werd voor een symposium in Delphi, worden de essentie van Halberstadt-Freuds opvattingen over de vrouwelijke ontwikkeling en de problemen die daaraan inherent zijn, duidelijk uiteengezet.
De mythe van Electra, waarin de wel zeer versterkt ambivalente moeder-dochterrelatie centraal staat, wordt psychoanalytisch bekeken en vergeleken met het Oedipusverhaal, dat eigenlijk alleen op de ontwikkeling van het jongetje van toepassing is.
Meisjes beginnen hun leven met een homoseksuele liefdesrelatie; deze wordt niet opgegeven maar aangevuld met de heteroseksuele relatie met de vader. In de ontwikkeling van het meisje doemt al vroeg een levensgroot en levenslang conflict op: het meisje moet zich losmaken van haar moeder, maar de moeder blijft haar identificatieobject. Losmaken gaat niet zonder agressie en dat is gevaarlijk als je klein bent, en afhankelijk juist van degene van wie je ook weg wil. De oplossing kan gezocht worden in het opgeven van autonomie en kiezen voor wat Halberstadt-Freud de symbiotische illusie noemt; of in een vijandige opstelling tegenover de moeder en al het vrouwe