You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
Onder het motto ‘the unconscious decentres; the death drive decentres absolutely’ (p. 2) biedt de Dublinse psychoanalyticus Rob Weatherill een uitgebreid en rijk gestoffeerd overzicht van de lotgevallen van de doodsdrift in de psychoanalyse. Sinds Freud in 1920 de doodsdrift postuleerde en zowel theoretisch als klinisch probeerde te onderbouwen, geraakte het concept tot vandaag - ook binnen de psychoanalyse zelf - niet verlost van zijn controversiële karakter. Stellen dat de doodsdrifttheorie geheel verworpen wordt, zou echter een te ongenuanceerde conclusie zijn. Dat dé psychoanalytische doodsdrifttheorie immers niet bestaat, is het minste dat na de lectuur van dit boek gezegd kan worden. Freuds speculaties werden na hem voorwerp van allerhande interpretaties, adaptaties en inspiraties.
Naast de doodsdrift bij Freud bespreekt Weatherill uitvoerig de gedaanten waarin de doodsdrift rondwaart in het werk van Klein, Bion en Lacan. Behalve deze vier protagonisten komen ook auteurs als Grotstein, Jung, Laplanche en Winnicott aan de orde. Als niet-psychoanalytisch tegenwicht voert Weatherill de postmoderne Franse filosoof Baudrillard ten tonele, door wiens antropologische bril hij de manoeuvres van de psychoanalytische strijdkrachten overschouwt en becommentarieert. Weatherill kondigt in zijn inleiding echter aan geen metastandpunt te willen innemen, laat staan tot een eigen afgeronde conclusie te willen komen. Toch meen ik dat in het boek gaandeweg vooral lacaniaanse accenten op de voorgrond komen.
De globale benadering van de thematiek vind ik in elk geval boeiend en relevant: in plaats van de waarheid van bepaalde hypothesen in verband met de doodsdrift te willen bewijzen of verwerpen, is zijn leidraad dat de onderzochte ideeën op zichzelf interessant zijn. Hij opteert dan ook voor een ‘loutere’ exploratie van ‘this demon that haunts psychoanalysis’ (p. 2). Deze laatste formulering illustreert meteen een opvallende rode draad in het boek: de doodsdrift is een kracht die,