You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
Op 31 januari 1999 overleed te Brussel James Innes-Smith, tweeënzeventig jaar oud.
Zijn onverwachte dood laat een grote leemte na in de Belgische, Europese en internationale psychoanalytische verenigingen. Vooral in de laatste jaren van zijn leven was hij daarin zeer actief via voordrachten, supervisie, deelname aan werkgroepen en het schrijven van artikelen. Voor velen was hij, mede door zijn warme menselijkheid en het gemak waarmee hij contacten legde, een bron van inspiratie geworden.
James Innes-Smith was van Schotse afkomst. Hij werd op 14 april 1926 in Edinburg geboren in een gezin behorend tot de kleine burgerij. Zijn vader was bediende in een verzekeringsmaatschappij. Op zijn veertiende jaar ontdekte hij de psychoanalyse via het boek Totem en taboe en raakte hij geïntrigeerd door het onbewuste. Met zijn ouders kon hij niet goed praten over wat hem bezighield. Des te boeiender evenwel kon hij met zijn grootvader van vaders zijde en met zijn vrienden discussiëren over belangrijke levensvragen.
Aan de universiteit van Edinburg gaat hij aanvankelijk filosofie en geschiedenis studeren, later wordt dat psychologie. Geïnteresseerd in kinderen, begint hij te werken aan instellingen met autistische patiëntjes. Dit zou later zijn neerslag vinden in verscheidene artikelen over het voorkomen van autistische objecten bij patiënten zonder een autistisch of psychotisch verleden (, , ).
Tijdens zijn Edinburgse jaren komt hij in contact met de Schot Fairbairn, door wie hij sterk beïnvloed zou worden. Dit zijn ook de jaren van zijn eerste psychoanalyse. Hierna krijgt hij zin om zijn horizon te verbreden en de wereld te ontdekken. Hij aanvaardt de opdracht om een jaar aan de universiteit van Kampala in Oeganda te doceren en werkt daar verder aan zijn doctoraat in