You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
Op 13 mei vond in het Hoger Instituut voor Wijsbegeerte te Leuven de derde studiedag van het Centrum voor Psychoanalyse en Wijsgerige Antropologie plaats. Thema was dit jaar de seksualiteit bij Jung en Freud. Jung is waarschijnlijk de enige die erin geslaagd is Freud zodanig onder druk te zetten dat deze laatste genoodzaakt is geweest zijn theorie van de seksualiteit grondig te heroverwegen. Voor een nauwgezette uiteenzetting van deze historische thematiek zorgde Professor Patrick Vandermeersch, auteur van onder andere Het debat tussen Freud en Jung: Over psychose, seksualiteit en religie (1992).
In het eerste gedeelte presenteerde Vandermeersch Freuds seksuele theorie zoals die was in de eerste uitgave van de Drei Abhandlungen (1905). Deze eerste uitgave, dus zonder de vele toevoegingen en uitbreidingen die er in latere edities aan zijn toegevoegd, geeft een heel ander beeld van Freuds seksuele theorie dan de latere interpretaties ervan. In 1905 lag de nadruk op het organische en objectloze karakter van de infantiele seksualiteit. Freud ziet de infantiele seksualiteit als auto-erotisch en dit betekent dat hij met geen woord rept over vroege objectrelaties. De seksuele objectkeuze en de seksuele fantasie komen pas aan bod in de puberteit. In de eerste verhandeling over de seksuele afwijkingen had Freud immers al benadrukt dat de band tussen drift en object niet de essentie van de menselijke seksualiteit vormt. Vandermeersch benadrukte tevens hoe de hedendaagse psychoanalyse zich mijlenver van Freuds opvattingen over het auto-erotische kind verwijderd heeft.
Na deze historische situering van Freuds seksuele theorie, onderzocht Vandermeersch hoe in 1905 de erogene zones werden geïntroduceerd. In een passage die in 1915 werd geschrapt, schrijft Freud: ‘Naast een “drift” van op zichzelf niet-seksuele aard, die uit bronnen van motorische impulsen voortkomt, onderscheidt men in hen [de partiële driften] een bijdrage van een prikkels ontvangend orgaan (huid, slijmvlies, zint