You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
Reactie op: G. Pieters , Psychoanalyse en evidence-based psychiatrie, Tijdschrift voor Psychoanalyse 6, p. 124-134
Ik was als gelegenheidsredacteur mee verantwoordelijk voor het themanummer Psychoanalyse en Psychiatrie en over het algemeen gesproken tevreden over het resultaat. Anderzijds betreur ik dat in dit themanummer weinig expliciet weerwerk is geboden tegen een bepaalde wetenschapsopvatting die de alleenheerschappij aan het verwerven is in de psychiatrie en de psychoanalyse.1 Omdat deze evolutie vérdragende, maar volgens mij negatieve, gevolgen heeft, had ik het gevoel niet anders te kunnen dan te proberen hierop een reactie te schrijven.
We leven in wat Forrester (1997, p. 3) ‘the age of scientism’ noemt, dit is het tijdperk van de overtuiging dat de wetenschappelijke waarheid ‘should have hegemony over other truths’. De wetenschappelijkheid waarin het sciëntisme gelooft is die van het zogenaamde standaard-model van de wetenschap, waarin men meent dat er een geheel aan methodologische principes en regels af te bakenen is dat ons in staat stelt te beslissen of kennis al dan niet wetenschappelijk is. Men veronachtzaamt systematisch en vaak op een onbegrijpelijke manier dat die afbakening principieel niet op waarheid maar op arbitraire conventies berust. Alhoewel Pieters in zijn artikel ‘evidence based medicine’ genuanceerd en niet zonder kritische kanttekeningen uiteenzet, is zijn pleidooi volgens mij toch sciëntistisch in de door Forrester bedoelde zin.
Een belangrijk element in de uiteenzetting van Pieters is een discussie die men kan lezen op internet onder de titel: Open door review of outcome studies in psychoanalysis, geredigeerd onder leiding van de vooraanstaande Britse psychoanalyticus Peter Fonagy ().
De Open door review bestaat vooral uit twee stellingnames, die inleiden op een overzicht van effectiviteitsonderzoek. Enerzijds is er