You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
Dit nummer van ons tijdschrift bevat de tot artikel omgewerkte lezingen van het symposium dat op 16 maart 2001 werd gehouden. Het onderwerp Wat wil de psychoanalyse niet weten? en de artikelen die hieraan gewijd zijn, hebben ook bij mij veel gedachten opgeroepen, waarvan ik u graag deelgenoot maak.
Hans Reijzer merkte in zijn inleiding op dat hij liever niet wilde weten waarom de sprekers allemaal heren waren. Omdat wij als analytici niet in toeval geloven, wil ik daarover wel enkele veronderstellingen te berde brengen.
Paul Verhaeghe spreekt in zijn artikel vrijwel uitsluitend over vaders en zonen, hun onderlinge strijd en niet-willen-weten. Ook als hij het heeft over psychoanalytische verenigingen, waarin groepen van zonen zich verzamelen rond een vaderfiguur, vraag je je afwaar de dochters gebleven zijn. En dat terwijl uit het grote onderzoek van de Zweed Sandell c.s. (2000) blijkt dat vrouwelijke therapeuten significant betere therapeutische resultaten bij zowel hun mannelijke als vrouwelijke patiënten bereikten! Waarom deze afwending van vrouwen? Mijn hypothese is dat mannen niet willen weten dat vrouwen van nature over kwaliteiten beschikken die voor de psychoanalyse als beroep onontbeerlijk zijn, waardoor zij een voorsprong op mannen hebben. Dat is natuurlijk een prikkelende uitspraak, die nadere uitleg verdient.
De relatie tussen analyticus en analysant wordt vooral sinds de opkomst van de tweepersonenpsychologie vaak vergeleken met de moeder-kindrelatie. Daarbij ligt de nadruk op de woordeloze interactie tussen moeder en baby; empathie, hechting, basisveiligheid, holding en containment zijn begrippen die in ieder moderne theorie over de essentie en werking van de psychoanalyse centraal staan. Je krijgt soms de indruk dat de taak van de moeder, en mutatis mutandis van de analyticus, vooral bestaat uit het voorzien in deze basisbehoeften, alsof er geen ontwikkeling is na het eerste levensjaar en patiënten vooral grote baby's z