You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
Toen zij bij mij kwam, was mevrouw Hatzveldt gedurende vier jaar eenmaal per week in psychotherapie geweest bij een te goeder naam en faam bekendstaande mannelijke psychotherapeut, geen analyticus. Die psychotherapie was echter vastgelopen. Met name bij het afsluiten van de behandeling was naar haar idee iets niet goed gegaan en dat wilde zij bij mij tot een afronding brengen. Aan het einde van die psychotherapie, vertelde zij, had zij haar psychotherapeut een vrij duur cadeau gegeven. Dat zou hij niet zomaar weggooien maar wel ergens - in de kelder of zo - bewaren, had zij gedacht. Op een of andere manier was zij dus niet helemaal bij hem weggegaan. Toen zij later nog eenmaal een afspraak met hem had, bleek dat hij die vaas in zijn werkkamer had staan.
Als wij elkaar spreken is mevrouw Hatzveldt een vrouw van vijfenvijftig jaar, die in een stabiel huwelijk leeft en tot tevredenheid een baan buitenshuis vervult. Haar kinderen zijn al meer dan tien jaar uit huis en maken het goed. Zij had vanuit haar eigen geschiedenis het gevoel gehad: ik moet geen band opbouwen met de kinderen want die kan abrupt worden verbroken, maar gelukkig had ze dat blijkbaar toch gedaan. Mevrouw Hatzveldt kende mij uit de werksfeer. Zij wilde beslist niet terugkeren naar haar eerdere psychotherapeut. Op het waarom daarvan kom ik later terug. Zij wilde niet liggen en gaf de voorkeur aan een analytische vis-à-vistherapie tweemaal per week. Ik zag geen contraindicaties en wij besloten aldus.
Deze casus maak ik uiteraard slechts publiek met toestemming van mevrouw Hatzveldt en onder afscherming van haar privacy. Voor deze publicatie heb ik over enige bezwaren heen moeten stappen. Ten eerste is het niet prettig de indruk te wekken dat je de dingen beter doet dan een gewaardeerde collega. Het doet me denken aan een verhaal over Stekel en Freud. De eerste meende dat hij als dwerg zittend op diens schouder verder kon kijken dan de reus Freud zelf. Deze meende dat zoiets waar kon zijn, maar niet gold v