You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
Herbert Rosenfeld (van Duitse afkomst) emigreerde in het midden van de jaren dertig naar Engeland om aan de nazi's te ontsnappen. Hij hoopte zich als huisarts te vestigen maar werd genoodzaakt in psychiatrische ziekenhuizen te werken (eerst in een inrichting in de buurt van Oxford, later in de Maudsley te Londen) waar hij schizofrenen psychotherapeutisch behandelde, een ook voor die tijd ongewone situatie. Omdat zijn therapieën wisselende resultaten opleverden, ging hij zich verdiepen in de beloftevolle psychoanalyse van Melanie Klein. Hij werd geanalyseerd door Klein en kreeg nadien supervisie van Sylvia Payne. Rosenfeld bleef zijn hele leven geboeid door de heroïsche indicaties voor psychoanalyse: schizofrenie, drugsverslaving, narcistische persoonlijkheidsstoornis, manische depressiviteit en hypochondrie. Daarnaast was hij vooral geïnteresseerd in iatrogene complicaties van de analyse, zoals impasses en negatieve therapeutische reacties.
Impasses hebben volgens hem te maken met uiteenlopende factoren, zoals onbegrip van de analyticus, het miskennen van projectieve identificaties, of in andere gevallen destructief narcisme van de patiënt.
Volgens Rosenfeld zijn bizarre uitingen van patiënten in verband te brengen met hun persoonlijke voorgeschiedenis. In supervisies besteedt hij daarom aandacht aan het vroegkinderlijke trauma en de accurate beschrijving van de voorgeschiedenis. In tegenstelling tot Freud is hij ervan overtuigd dat de psychotische patiënt wel degelijk tot overdracht in staat is.
De psychotische patiënt gaat volgens Rosenfeld een narcistische objectrelatie aan waarbij in de ander ongewenste delen van het zelf worden geëvacueerd. Het standhouden van deze narcistische objectrelatie hangt af van de intensiteit van de infantiele