You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
Ladan publiceerde reeds eerder over de geheime fantasie een uitzondering te zijn, onder andere twee artikelen in de International Journal of Psychoanalysis (1992, 1995).
In dit boek vervolledigt hij zijn hypothese, zich baserend op gegevens uit empirisch onderzoek. Daartoe worden eerst de belangrijkste gegevens uit het zuigelingenonderzoek (Stern), de neurobiologie over affect en geheugen (Kandel en Ledoux), gehechtheidsonderzoek (Bowlby) en de uitbreiding ervan naar mentaliseren (Fonagy en Target) op een glasheldere manier besproken. Alleen al dit eerste deel maakt het boekje de moeite waard. Een betere inleiding op dit ruime veld kwam ik nog niet tegen.
Aan de hand van deze gegevens werkt Ladan zijn hypothese over de geheime fantasie een uitzondering te zijn, verder uit. In zijn vorige publicaties deelde hij de mening van Freud dat het typische van deze uitzonderingen is dat zij zich als gevolg van een vroeger tekort de fantasie toe-eigenen een uitzondering te zijn en dit ook vanzelfsprekend vinden. Door deze geheime fantasie ontstaat een defensieve pseudovolwassenheid.
In het verlengde van de empirische gegevens stelt Ladan nu dat door een tekort aan ‘ontwikkelingshulp’ hechtingsproblemen ontstaan, zoals door Bowlby beschreven. Deze hechtingspatronen zijn samen met de manier waarop een kind ermee omgaat, opgeslagen in het impliciete, procedurele geheugen. Dit kan niet gearticuleerd worden maar manifesteert zich in handelingen. Op die manier ontstaat een impliciet levensscenario. Ladan veronderstelt dat wanneer dit impliciete levensscenario te veel afwijkt van de realiteit waarin het kind leeft, het deze discrepantie kan opvangen door dagdromen en dan vooral door de fantasie een uitzondering te zijn.