You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
Het was de zesde keer dat de Stichting Psychoanalytische Symposia, in samenwerking met het Nederlands Psychoanalytisch Genootschap en het Nederlands Psychoanalytisch Instituut, haar jaarlijkse symposium in de Stadsschouwburg te Utrecht hield. Gingen er de afgelopen jaren nog wel stemmen op dat het ‘toen’ in Bunnik, waar het symposium tot 1996 werd gehouden, gezelliger of zelfs inhoudelijk beter was, dit jaar waren zulke geluiden niet te vernemen. Wellicht speelde de uitwerking van ‘de herhalende ervaring’ daar een belangrijke rol in. Of had het vooral te maken met het feit dat het de organisatoren goed gelukt was een thema te vinden, dat niet alleen bij uitstek psychoanalytisch was en persoonlijk aansprak, maar óók dichtbij de klinische praktijk bleef?
Er was tussen de meeste lezingen een inhoudelijke samenhang te ontdekken, en hoewel deze helaas niet verder expliciet werd uitgewerkt, kwam dit de waardering van de dag zeker ten goede. Er werden in enkele voordrachten verbindingen gelegd met de neurowetenschappen en het onderzoek naar de locatie van psychische processen in het brein. Dat zorgde met name in de publieksdiscussies voor actuele vragen: wat is de betekenis van dat onderzoek voor de psychoanalyse (en vice versa), hoe dient of wenst de psychoanalyse zich in dat