You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
Hoe komt het dat religie zowel tot het meest sublieme als tot de grootste gruweldaden kan leiden? De titel en de achterflap suggereren een reflectie op 11 september 2001, maar eigenlijk is Terror and transformation de neerslag van lezingen die in oktober 1998 te Leiden gehouden werden. Het terrorisme zelf komt niet ter sprake. Wel gaat het om de vraag waarom godsdienst niet alleen heil maar ook onheil brengt: interessant genoeg.
De centrale these valt vrij eenvoudig samen te vatten. Religie is primair gebaseerd op idealisering en nodigt dus uit om zich over te leveren aan het geïdealiseerde object. Al wat het object of de relatie ermee naar beneden haalt, lokt brutale agressie uit. Deze idealisering, die met regressie gepaard gaat, hoeft echter niet automatisch negatief te werken. Zij kan toelaten dat men de grenzen van het verstarde Ik loslaat. In deze tijdelijke regressie mag men echter niet blijven steken. Daarom ondermijnen de meeste religies doelbewust de idealisering van het eigen geloof. Zij willen het individu verzoenen met zijn eigen beperktheid.
Wie als lezer verwacht een gedetailleerde analyse te vinden van deze erg algemene bewering, komt echter bedrogen uit. In plaats hiervan geeft de auteur, die naam heeft als de vertegen-woordiger van de ‘relationele richting’ in de godsdienstpsychologie, een rondgang door de verschillende psychoanalytische theorieën. Sommigen zullen zijn eruditie verwelkomen en geneigd zijn dit boekje aan studenten aan te prijzen als een goed overzicht. Anderen - zoals deze recensent - zullen het betreuren dat van de meest uiteenlopende psychoanalytische theorieën een eenheidsworst wordt gemaakt. Dit geldt evenzeer voor het fenomeen ‘religie’, waar de meest fundamentele onderscheidingen veronachtzaamd worden.
Het boek begint hier al mee. Dat religie leidt tot idealisering, moet blijken uit vijf citaten, waarvan het eerste en meest uitvoerige genomen is uit de verklaring van de pauselijke onfeilbaarheid in het