You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
Altijd zal de psychoanalyse mensen blijven prikkelen tot grondslagenonderzoek.1 Een recente bijdrage op dit gebied is het artikel van Willem Ietswaart (2002). Hier wordt de psychoanalyse antropologisch ontsloten naar het bredere existentiële denken over angst. In deze reactie op Ietswaarts moedige filosofische inbreng, wil ik de vinger leggen bij de mogelijkheid van een te donker getoonzette antropologische ontsluiting. Als we naar Rembrandts personages kijken, zien we dat hij de mens schildert met een mysterieus innerlijk licht - ook Rembrandt kan ons een spoor geven voor de antropologische ontsluiting. Bij Ietswaart echter, lijkt er te veel licht weggevangen te worden. Juist bij een antropologische verankering luistert het echter nauw: elke tint te donker zal de gehele psychoanalyse in al haar facetten doortrekken, als we tenminste ons eigen denken serieus nemen. Ietswaarts visie wordt naar mijn mening te donker, omdat hij Kierkegaard op een aantal wezenlijke punten te snel in de rede valt met zijn eigen ‘Kierkegaard’.2 Naast deze kritische aantekeningen wil ik ook mijn bewondering uitspreken voor de gedegen wijze waarop Ietswaart de thematiek bespreekt. Ook waardeer ik het dat een psychoanalyticus het grondslagendebat opzoekt! Ik hoop dan ook dat deze kritiek van een theoloog aanleiding mag zijn tot verdere interdisciplinaire uitwisseling.
Een te donkere ontsluiting, dat is mijn stelling. Ik motiveer dat tweeledig: ten eerste door te kijken naar de bron, Kierkegaard, ten tweede door een kort beroep op de common sense.
Ietswaart geeft, net als enkele van zijn voorgangers (Goldstein?), een ‘horizontale’ Kierkegaardinterpretatie: aan het gelovige moment in Kierkegaard lijkt hij voorbij te gaan. Dat merk je bijvoorbeeld aan de bespreking van oneindigheid. Ietswaart zegt: ‘Deze oneindigheid maakt duizelig. Mogelijkheid betekent dus: oneindigheid van mogelijkheden’ (p. 79). Men krijgt de indruk dat het Ie