You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
‘Er zijn duizenden gewaarwordingen van het niets en maar één woord om ze te vertalen. De armoede van de taal maakt het universum begrijpelijk’ (Emil Cioran).
Ziehier de taal in haar diabolische dubbelrol: zij verlicht onze geest met woorden, maar niet zonder hierbij een inktzwarte schaduwzijde te creëren. De oneindige veelheid aan ervaringen, die overvloed waar woorden tekortschieten, zinkt weg in de duisternis van het onzegbare.
Dit tragische spanningsveld tussen taal en ervaring, in Ciorans pessimistische filosofie uitvergroot tot metafysische proporties, vormt in zekere zin het werkterrein van de psychoanalyse. Het ‘onnatuurlijke’ vertoog, het hardnekkige zwijgen, de schijnbaar onzinnige invallen: alle inspanningen op en achter de divan lijken erop gericht de complexe, meerduidige werkelijkheid achter ons alledaagse zelfbegrip tot spreken te brengen.
Daarmee beweegt de psychoanalyse zich in een taalspel dat, op z'n zachtst gezegd, op gespannen voet staat met dat van het publieke debat. Journalisten, politici en mediaprofessoren vangen de gefragmenteerde werkelijkheid van het hier en nu, die chaos van losse feiten en ervaringen, in heldere begrippen. Zodoende construeren ze de betekenissen van ons dagelijks bestaan en maken de wereld begrijpelijk.
De psychoanalyticus, altijd meer geïnteresseerd in de chaos onder het heldere