You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
Wat moet je als wetenschappelijk denkend mens anno 2003 nog met freudiaanse begrippen als ‘castratieangst’ en ‘baarmoedernijd’? Dat zijn toch net zulke achterhaalde begrippen als ‘penisnijd’, waaronder alle vrouwen zouden lijden? Daarover publiceren is toch vragen om afwijzing door het niet-psychoanalytische wetenschappelijke en maatschappelijke forum? De redactie vindt zo'n vooringenomen standpunt te makkelijk en biedt u daarom een artikel over baarmoedernijd en een over het trauma van de onverdoofde neonatale besnijdenis aan. Beide auteurs dagen de lezer uit een genuanceerd standpunt in te nemen: Eddy De Klerk in een artikel waarin historie en actueel weten bijeengebracht worden, Eugenie Oosterhuis in een overwegend klinisch artikel.
In de discussie over de hedendaagse bruikbaarheid van dergelijke begrippen, komt steeds een aantal problemen naar voren. Zo is het belangrijk in welke mate waarin men pretendeert dat ze algemeen geldig zijn. Penisnijd als organisatorisch drijvende kracht van de ontwikkeling van het meisje is een achterhaald concept. Maar er zullen ongetwijfeld vrouwen zijn bij wie een vernietigende haat voor de penis voorkomt, als woedende reactie op het gemis. Iemand uit een kinderrijk gezin vertelde onlangs dat vader wilde dat moeder zo snel mogelijk de borstvoeding afbouwde zodat hij een flesje kon geven, en wilde dat ‘s avonds de baby's lekker op zijn buik lagen. Een nauwelijks verhulde vorm van afgunst op het vermogen van de vrouw te baren is hier toch gewoon zichtbaar, en de conclusie moet luiden dat baarmoedernijd bestaat. Maar hoe centraal staat zo'n begrip, net als penisnijd of castratieangst, in de theorievorming en in welke mate kan er gegeneraliseerd worden naar ‘alle mannen’ of ‘alle vrouwen’?
Ook de context waarb