You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
In deze bespreking leg ik drie boeken over psychoanalytische visies op kinderen naast elkaar. De eerste twee zijn gekoppeld aan respectievelijk Anna Freud en Donald Winnicott, twee giganten die hun stempel gedrukt hebben op theorie en praktijk van de psychoanalyse, van kinderen én volwassenen.
De herkomst en oriëntatie van het derde boek zijn even ‘elusive’ als het kind uit de titel: er is geen datum van verschijnen, geen inhoudsopgave en geen lijst van auteurs. Ik neem het mee in de bespreking omdat er enkele interessante bijdragen in staan.
Rose Edgcumbe, eerst leerling en daarna medewerker van Anna Freud, stelt zich in de inleiding drie vragen:
Waarom accepteerde Anna Freud ‘developmental help’, haar eigen vernieuwende aanpak van ontwikkelingsstoornissen, niet als een legitiem onderdeel van de psychoanalytische techniek?
Waarom wordt zij gezien als ‘slechts’ een ‘drive theorist’, terwijl zij aan de theorie van objectrelaties zulke belangrijke bijdragen heeft geleverd?
En, voor ons verbazingwekkend: waarom heeft haar werk in Engeland niet meer erkenning gekregen?
Deze vragen worden in het laatste hoofdstuk beantwoord, nadat Edgcumbe een heldere en kritische uiteenzetting heeft gegeven van het werk van Anna Freud. Hierbij komen aan bod:
haar observaties in de door haar gestichte ‘war nurseries’ en de invloed van deze observaties op haar theorievorming;
theorie en techniek;
haar psychoanalytische visie op de ontwikkeling van het kind, zoals deze niet alleen vorm krijgt in het bekende profiel en de ontwikkelingslijnen, maar ook in de voorzieningen