You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
In de nabeschouwing van zijn Freudbiografie besteedt Breger aandacht aan talrijke voorgangers, die hij indeelt in drie groepen: Freudvereerders, Freudtegenstanders en degenen, onder wie hij ook zichzelf rekent, die de bronnen zonder vooroordelen trachten te bestuderen. Breger ziet het niettemin als zijn voornaamste taak de lezer de ‘darkness’ te tonen die er in Freuds ‘vision’ heerst. Over visie wordt door hem echter slechts in het voorbijgaan gesproken. Waar het in dit helder en boeiend geschreven boek met weinig nieuw feitenmateriaal over gaat is de lezer op een aannemelijke wijze te confronteren met al datgene wat door de ‘Freud bashers’ vaak zo onvriendelijk naar voren wordt gebracht. Breger doet dat aan de hand van de tegenstelling tussen Freuds ervaringen met zijn beide ouders. Enerzijds is er diens geschiedenis met moeder Amalia. Aan zijn kindertijd, waarin Amalia vaak niet beschikbaar was, en de dood van oud en jong zich steeds opnieuw aandiende, heeft Freud traumatische angsten overgehouden die hij, aldus Breger, nooit echt onder ogen heeft durven zien. De levenslange relatie met zijn moeder - Amalia stierf pas toen Freud zelf vierenzeventig was - en ook die met zijn vrouw Martha waren tot het einde gestoorde relaties.