You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
'IHS
Auxilium meum a Domino. Ni Deus adfuerit, Viresque infuderit herbis Nil tibi Dictamnus, nil panacaea iuvat.
IESU.IEHOVA.IUVA
Erranti, pereunti, aegro, via, vita, Salusque Christe, tuum, rege, duc, et benedic Medicum. Auxilioque tuo pereat Medicaster Apella, Unica cui, Christi, est cura, necare genus.’1
De besnijdenis is een eeuwenoud joods ritueel, dat in het lichaam van de joodse man tot aan zijn dood vastlegt dat hij als jood geboren is. Het is vanuit de ouders die dit laten doen enerzijds een daad van uiterste onderworpenheid: ‘Wij doen dit omdat God het ons bevolen heeft, of omdat het onze traditie is.’ Anderzijds is het een daad van bovenmenselijke overmoed - hybris als u wilt - om op deze wijze als het ware de schepping te verbeteren.2 De besnijde-nisplechtigheid van een achtdaags jongetje heeft verschillende emotionele componenten. Overheersend is de blijdschap dat er weer een versterking van de uitgedunde gelederen van het joodse volk is. Dit moment is een triomf op een eeuwenoude vervolgingsgeschiedenis. Dit is bepaald niet het enige gevoel dat die daad oproept. Een besnijdenis is ook niet prettig om mee te maken. Je voelt je teruggeworpen in een archaïsch ritueel, dat in onze schoongewassen wereld geen plaats meer heeft. Er kan bloed vloeien. De baby huilt. Je zou willen dat dit het kind niet werd aangedaan. Het huilen wordt meestal gestopt of in de kiem gesmoord door de baby aan een suikerklontje met cognac of aan een vinger die in zoete wijn is gedoopt te laten zuigen. De gedachte: ‘Wil ik dat werkelijk?’ dringt zich hartgrondig op aan hen die erbij staan. De sacrale daad roept weerzin op en er zijn joden die hun zoons niet laten besnijden. Dat is meestal een markeringspunt in een lange assimilatiegeschiedenis. Het is een station dat wordt gepasseer