You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
Het is goed om begrippen uit het vroegste tijdperk van theorievorming tegen het licht te houden, teneinde hun geldigheid, dan wel toepasselijkheid, in het kader van de actuele toestand van onze kennis en theorievorming te toetsen. Het artikel van collega De Klerk in nummer 2003-3 presenteert zich als een poging in deze richting. De hoofdthema's uit dit artikel laten zich grosso modo in twee argumenten onderverdelen: het concept ‘castratieangst’ is een artefact ingebracht door Freud, ontstaan vanuit zijn geïmpliceerde persoonlijke preoccupatie met het feit van zijn neonatale besnijdenis; en, de neonatale besnijdenis zonder verdoving van mannelijke zuigelingen is inhumaan.
De vele literatuurverwijzingen en voetnoten in het artikel wekken in eerste instantie een indruk van wetenschappelijke degelijkheid. Deze indruk wordt door nadere studie helaas niet bevestigd. Wél voldoende overtuigend is de stelling dat neonatale besnijdenis voor de zuigeling pijnlijk is, een trauma. Maar dit is meer een bevestiging van wat we reeds wisten, dan een nieuw gegeven. Daarbij wordt het begrip ‘impliciet geheugen’ toegepast, waarin (de gevolgen van) het besnijdenistrauma opgeslagen zou(den) worden. Dit concept bestond ten tijde van Freuds leven nog niet; wél wees hij reeds naar de infantiele amnesie. Veel gegevens in het artikel ontspruiten echter vrijwel uitsluitend aan de fantasieën van de schrijver maar worden gepresenteerd alsof ze van objectiefniveau zouden zijn, met als onbetwist hoogtepunt de postume psychoanalyse van de afwezige Freud. Aan de hand van enige vragen en kanttekeningen wil ik trachten enige helderheid te scheppen in de door De Klerk geschapen ‘wolligheid’.
Eerst ga ik in op de hypothese dat een (geïmpliceerde) preoccupatie met castratieangst bij Freud zou zijn ontstaan als gevolg van het trauma van de onverdoofde neonatale besn