You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
Dood en leven van de hechtingstheorie is het tweede uit de reeks Vragen aan Freud.1 Het doel van deze reeks is het actualiseren van het psychoanalytische denken vanuit een kritische en open instelling. Centraal staat de beschouwing van Freuds werk als een klinische antropologie. In feite hebben de auteurs, Van Haute en Geyskens, ditzelfde reeds gedaan in hun eerste gezamenlijke studie.2 Centraal hierin stelden zij de psychoanalytische ontdekking van de discontinuïteit tussen kind zijn en volwassene zijn - tegen de idee van het kind als een volwassene in wording - en van de continuïteit tussen normaliteit en pathologie - tegen de opvatting van psychopathologie als een ontwikkelings-stoornis.
Deze uitgangspunten maken het nu mogelijk om het concept van de doodsdrift - thema van hun tweede project-vanuit een intrinsieke psychoanalytische logica te herzien. Hiervoor doen zij een beroep op drie auteurs: Freud (vanzelfsprekend), Melanie Klein en de relatief (onterecht) onbekende Hongaarse psychoanalyticus Imre Hermann (1889-1984). Centraal staat de vraag hoe deze drie auteurs het primaat van het kind naar voren brengen. Dit laatste verwijst naar de traumatische oorsprong van de subjectiviteit (p. 15): primitieve catastrofes maakt élk kind mee, ze verschillen enkel in intensiteit, en blijven bepalend voor het verdere leven.
Zowel Freud als Melanie Klein verwijst naar de ‘Hilflosigkeit’ van de zuigeling tegenover dit vitale vroegkinderlijke trauma. Geyskens en Van Haute merken zeer juist op dat het in wezen om een hulpeloosheid tegenover de eigen driften gaat. Als gevolg daarvan, vermelden ze, hecht de baby zich aan de moeder. Freud voerde de doodsdrift in omdat hij vanuit het lustprincipe een aantal zaken niet kon verklaren (zoals de oo