You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
Fiona Ross is analytica bij de Londense Society of Analytic Psychology, die sedert 1946 stevige banden onderhoudt met haar freudiaanse collega's. In haar literatuurlijst prijken dan ook heel wat psychoanalytische referenties.
Understanding Perversion in Clinical Practice verschijnt in een reeks monografieën die elk één klinisch probleem willen bestuderen. Het heeft me jammer genoeg niet overtuigd. Het begrip ‘perversie’ wordt onvoldoende gepreciseerd: seksuele perversies (‘parafilieën’ in de nieuwe nomenclatuur), perversiteit (als kenmerk van een maligne narcistische persoonlijkheidsstoornis) en ronduit criminele handelingen (door serial killers, oplichters) worden op één hoop gegooid, zonder duidelijke differentiëring tussen deze toch wel heel verschillende fenomenen.
Bovendien gaat Ross er nogal aprioristisch van uit dat vroegkinderlijke, veelal seksuele, traumata altijd een etiologische rol spelen bij het tot stand komen van een perversie; vele van de kenmerken die ze beschrijft doen dan ook meer denken aan borderlinepersoonlijkheids-stoornissen. Als een van de mechanismen die de perversie kenmerken beschrijft ze ‘attacks on linking’ (zonder Bion te vermelden), maar dit mechanisme vinden we terug in heel wat andere ziektebeelden.
De klinische vignetten zijn kort en missen levendigheid; ze vertellen ons weinig of niets over de overdracht-tegenoverdrachtdynamiek: hoe raakt de ‘perverse’ patiënt zijn analyticus, en hoe kan deze in een pervers scenario verstrikt geraken?
Ross wijdt een hoofdstuk aan de ‘trickster’, een ‘archetypische’ figuur die door Jung beschreven werd. De mythologie mag dan wemelen van de bedriegers, in de kliniek vind ik dit concept weinig bruikbaar, en zelfs gevaarlijk: de (perverse) schelm wordt vaak sympathiek voorgesteld, waardoor de destructiviteit van de perverse structuur ontkend wordt. Ik vraag me af of Jung zelf zich bewust was van deze verraderlijke aspecten; zo schrijft hij: ‘Superstitie en perversiteit zijn in de grond hetzelfde. Het zijn