You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
In tijden van zwaar weer voor de psychotherapie, waarin de psychoanalyse nog even het hoofd boven water wil houden door zich vast te klampen aan het wrakhout van een zuiver materialisme, verschijnt er in de literatuur af en toe nog een juweeltje van fijnzinnigheid, zoals het voor mij liggende boek. Het betreft de derde publicatie in de serie Psychoanalyse in tijden van wetenschap die staat onder redactie van Paul Verhaeghe. De serie ziet er veelbelovend uit, want de kwaliteit van de publicaties (De Kesel over ethiek, Verhaeghe over psychodiagnostiek en nu Jonckheere over de plaats en functie van het fantasma zijn alledrie zeer interessant en goed uitgegeven) is hoog en relevant voor de klinische praktijk.
Het boek van Lieven Jonckheere laat in zeven gevalsstudies zien wat de betekenis van het fantasma voor het object is. Bovendien wordt het begrip ‘traversée du fantasme’ behandeld. Het seksuele fantasme voorbij cirkelt rond de betekenis en werkzaamheid van het fantasma bij de drie klassiek te noemen psychische structuren; te weten de psychose, de neurose en de perversie, waarbij deze laatste de meeste aandacht krijgt. Het boek leest niet eenvoudig. De zeven casussen zijn op twee na ontleend aan de literatuur (kleine Hans, Anna Freud, Leopold von Sacher-Masoch, Serge André) en