You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
Het proefschrift van de Amerikaanse psychotherapeut Ayers is curieus en intrigerend. Curieus is dat zij van alle mogelijke facetten van schaamte vooral de rol van de ogen uitlicht en dat zij haar kennis haalt uit jungiaanse, psychoanalytische, ontwikkelingpsychologische en antropologische bronnen. Intrigerend, omdat zij schaamte in verband brengt met een veelheid van ogen: die van moeder, maar ook het ‘kwade oog’. Soms leest het boek als een stelletje bijeengeraapte, losstaande fenomenen, maar op andere momenten boeit Ayers door buiten de gebaande paden te gaan en een synthese op een breder niveau te zoeken. Aansluitend bij ‘schaamte'psychoanalytici als Broucek, situeert zij het ontstaan van schaamte in de ontwikkeling van het kind rond de zes à acht maanden. Het beroemde ‘still face experiment’ laat zien hoe een kind dat het contact verliest met de niet-reflecterende ogen van zijn moeder, zich ontregeld van haar afkeert en in elkaar krimpt. Als door erfelijke factoren of toevallige omstandigheden de vroege moeder-kindinteractie verstoord raakt, neigt het kind vroege voorlopers van schaamte te voelen. Het is alsof de baby voelt dat er vanaf het begin iets mis is met hem. Vervolgens onderzoekt Ayers in mythes en sagen uit de hele wereld naar bronnen over het concept van het boze oog, een universeel geloof dat ogen de kracht hebben schade toe te brengen. Vanuit jungiaans perspectief kan het idee van het boze oog worden begrepen als de archetypische ogen van de ‘verschrikkelijke moeder’: ‘Shame, in the deepest sense, therefore, is a complete symbiotic tie with the negative mother - a pathological symbiosis or parasitic relationship’ (p. 83). Het interessante van haar opvatting is dat zij schaamte niet ziet als een breuk in het contact waarin de zich schamende zichzelf tot object van waarneming neemt, zoals Seidler bijvoorbeeld