You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
‘Sie ward geschaffen, Unheil anzustiften,
Zu locken, zu verfuhren, zu vergiften -
Und zu morden, - ohne das es einer spurt.
Mein süßes Tier, sei ja nicht geziert,
Du hast kein Recht, uns durch Miaun und Pfauchen
Die Urgestalt des Weibes zu verstauchen.’
Met deze typering wordt in Alban Bergs opera Lulu de vrouwelijke hoofdrolspeelster geïntroduceerd: ze kan zich wel lief voordoen, maar haar kern bestaat uit het stichten van onheil, het moorden, vergiftigen en verleiden. Lulu wordt neergezet als de ultieme fatale vrouw. De afgelopen jaren stonden ‘fatale vrouwen’ volop in de belangstelling. In het Amsterdamse muziektheater werd niet alleen Lulu uitgevoerd maar ook de opera Salomé van Richard Strauß. In 2003 was de tentoonstelling Fatale vrouwen, 1860-1910 te zien in het Groninger Museum en het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten te Antwerpen. Ook op de tentoonstelling Symbolisme in Nederland, verleden jaar in Assen, en de tentoonstelling van Felicien Rops in de Kunsthal dit jaar te Rotterdam kwam zij voor. Peter Steinz (2004) besprak in zijn literatuurrubriek ‘femmes fatales in de fictie’. Recente films waarin de fatale vrouw centraal staat, zijn Femme fatale (2002) van Brian de Palma en niet te vergeten Basic Instinct van Paul Verhoeven.
In dit artikel beschrijven wij de idee van de fatale vrouw. Psychoanalytisch is dit een interessant begrip, omdat ‘de fatale vrouw’ geen werkelijk bestaand persoon is, maar een fictief personage, het product van een collectieve fantasie van mannen over vrouwen. De term dook op aan het einde van de negentiende eeuw, tijdens het ‘fin de siècle’, dezelfde periode waarin ook de psychoanalyse ontstond. De psychoanalyse leidde, zoals men weet, de ontwikkeling van de vrouw af van die van de m