You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
De ongenode gast, een bundel opstellen, hoort thuis in een serie met de titel Vragen aan Freud. Al op de eerste pagina kondigt de schrijver aan dat hij op zoek is naar een ‘nieuwe analytische theorie’, en in dat kader behelst ieder essay van zijn boek inderdaad, direct of indirect, een vraag aan de vader van de psychoanalyse en aan diens omstreden ideeën. En zoals dat in de wereld van de Belgische psychoanalyse anno 2004 vaker het geval is, worden die vragen gesteld vanuit het gedachtegoed van Jacques Lacan.
Rode draad in zijn betoog is telkens weer dat niet langer Freuds biologisch gefundeerde theorie van de drift, maar het besef van een onvermijdelijke dood en van het menselijk tekort de centrale factor zou moeten vormen in het ontstaan van een moderne psychoanalytische theorie. Dit filosofische grondidee wordt in het eerste essay uit de doeken gedaan. In het tweede wordt Freuds geloof in een menselijke doodsdrift bestreden. De negatieve tendensen van ons driftleven kunnen we, aldus Van Coillie, beter op het conto schrijven van onbewuste fantasma's. Dit laatste, zo lezen we in het derde essay, wordt met name bevestigd door het fenomeen van de zelfmoord, waarachter in bijna alle gevallen onbewuste almachtsfantasieën schuilgaan. In het vierde essay, Lacan en de Dood, stelt de auteur tegenover Freuds onbewuste, dat veelal de moeder- en de vaderfiguur tot eindtermen heeft, een lacaniaans onbewuste dat verder reikt en zich afspeelt rondom de leegte, het niets van de dood. Dit centrale hoofdstuk geeft tevens interessante beschrijvingen van de rol die taal, fantasma en genot (‘jouissance’) in Lacans theorie vervullen. Hierna gaat de schrijver, in een vijfde essay, uitgebreid in op de lang niet altijd duidelijke ‘psychische’ verschillen tussen mens en dier. Deze worden weliswaar verhelderd door Freuds