You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
‹Laat onze kleine onderzoeker overigens maar vroegtijdig de ervaring opdoen dat alle kennis onvolledig is en dat op elk niveau iets overblijft, dat niet is opgelost› (Freud 1909, p. 114).
In 1909 publiceerde Freud de Analyse van de fobie van een vijfjarige jongen, later bekend geworden als Kleine Hans. Hans kreeg een fobie voor paarden, waardoor hij niet meer naar buiten durfde en ernstig belemmerd werd in zijn bewegingsvrijheid. Freud hielp Hans met zijn fobie door die te herleiden tot vijandigheid, voornamelijk tegenover zijn vader. Freud zag Hans maar één keer. Voor het overige liep de behandeling via gesprekken tussen Hans en zijn vader, die daarvan aantekeningen maakte en deze besprak met Freud. Het was de eerste kinderanalyse/ouderbegeleiding in de geschiedenis van de psychoanalyse en daarom van groot belang. Voor Freud vormde de casus het klinische bewijsstuk voor zijn eerder gepubliceerde theorieën.
‹In de relatie tot zijn vader en moeder bevestigt Hans op zeer overtuigende en concrete wijze alles wat ik in mijn Traumdeutung en in mijn Sexualtheorie over de seksuele betrekkingen van kinderen ten aanzien van hun ouders heb beweerd. Hij is inderdaad een kleine Oedipus die zijn vader ‹weg› zou willen hebben, onschadelijk maken, om met zijn knappe moeder alleen te zijn, bij haar te slapen› (Freud 1909, p. 124).
Is dit oedipale interpretatieschema toereikend om de casus te begrijpen? Ten dele wel voor de fobie, maar in veel mindere mate voor de persoonlijkheidsstructuur waarbinnen de fobie optrad en die kwetsbaar maakte voor het ontstaan ervan. Freud zelf geeft aanleiding om dit te denken, want hij schrijft over Hans: ‹[…] hij is uitzonderlijk goedmoedig en lief van karakter; zijn vader heeft genoteerd dat de omzetting van de neiging tot agressie in medelijden zich bij hem op zeer jeugdige leeftijd heeft voltrokken› (p. 125, zie ook p. 146). En verder: ‹De vatbaarheid voor zijn latere ziekte vindt misschien haar oorzaak in de vroegtijdige onderdrukking van deze neig