You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
In honderd jaar zijn er wereldwijd onwaarschijnlijk veel afwijzingen en lofuitingen over Freuds De droomduiding gepubliceerd. In Nederland werd deze honderdste verjaardag herdacht met een lezingennamiddag waaraan Amsterdamse literatuur- en cultuurwetenschappers een bijdrage leverden. Dit boekje is de narratieve versie van die namiddag. Vijf vrouwelijke literatuurwetenschappers en één mannelijke godsdienstpsycholoog brengen hier hun verhaal. Solange Leibovici weet de impact van droomduiding binnen de psychoanalyse ten tijde van Freud en nadien goed samen te vatten.
Het talige karakter van De droomduiding wordt door verschillende auteurs — in navolging van Lacan — benadrukt en vanuit verschillende gezichtspunten becommentarieerd. Het interessantst vond ik de bijdrage van Annelies van Hees, die het heeft over dromen in de sprookjes van H. C. Andersen. Verhaalde dromen die de onbewuste preoccupaties van Andersen tot spreken lijken te brengen. Toch zijn zulke dromen op meerdere vlakken afwijkend van ‹echte› dromen.
Mieke Bal problematiseert de gelijkstelling verdichting-metafoor en verschuiving-metonymie. Volgens haar zijn er in beide gevallen fundamentele verschillen, zowel qua functieals qua mechanisme. Zij beklemtoont het scenische aspect van een droom — het gaat om een voorstelling die bestaat uit beelden — maar tevens het teleologische aspect: er wordt iets wezenlijks voortgebracht, een transformatie van subjectiviteit in gedachten.
Van Belzen benadrukt duidelijk dat het unieke van Freud niet zozeer zijn ‹ontdekkingen› betreft, maar veeleer het construeren van een samenhangende theorie en het opbrengen van de moed om dit bouwwerk voortdurend bij te sturen. Van Boheemen-Saaf beschrijft hoe Freuds denktrant zowel besmettelijk als onweerstaanbaar is, hoe het construct van het onbewuste het huidige filosofisch denken bevrucht.
Dit alles plaatst de droom in een caleidoscopisch cultureel en literatuurwetenschappelijk kader, maar zonder veel verwijzingen naar relevante psychoa