You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
Het vakgebied van de kinder- en jeugdpsychiatrie heeft al een lang verleden en een nog korte geschiedenis: een lang verleden, want sinds mensenheugenis werd er gedacht en geschreven over kinderen en jeugdigen met een psychische stoornis, een korte geschiedenis, want als officieel vakgebied bestaat het sinds het begin van de twintigste eeuw. Tot eind jaren zeventig, begin jaren tachtig was het psychoanalytisch gedachtegoed bij diagnostiek en behandeling in dat veld een vanzelfsprekend kader. De meeste activiteiten in het veld kregen de stempel ‹on analytic lines›, zonder dat duidelijk was wat die stempel precies betekende. Alle (Nederlandse) hoogleraren kinderpsychiatrie waren psychoanalytisch opgeleid of waren in hun denken en doen psychodynamisch van signatuur. Begin jaren tachtig kwam daar langzamerhand verandering in. Verhelderend voor die verandering was de oratie (1986) die de Utrechtse hoogleraar Van Engeland uitsprak bij de aanvaarding van het ambt als gewoon hoogleraar, onder de titel De ontdekking van het oppervlak. In een genuanceerd betoog stelde hij dat de tot dan toe geldende verstehende benadering vooral belangstelling toonde voor de dieper liggende problematiek, de onbewuste innerlijke conflicten. Voordelen daarvan waren meer kennis over hoe kinderen zich adapteren aan de werkelijkheid, welke afweermechanismen ze daarbij ontwikkelen, in welke mate ze zich weten te separeren en te individueren, en hoe ze bij dit alles een goed zelfgevoel kunnen verkrijgen, … en hoe dat soms mis kan gaan. Aan de hand van psychoanalytische zoekschema's kon het unieke van een patiënt met zijn eigen persoonlijke ontwikkeling onderkend en gewaardeerd worden. Bij deze benadering stonden ‹verschillen-tussen-mensen› op de voorgrond. Een nadeel van deze benadering was dat er te weinig oog was voor het belang van ordening en rangschikking van symptomen of het rubriceren van psychische stoornissen. Verder was er onduidelijkheid over het indicatiegebied. Sommigen meenden dat slech