You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
De volgende reflecties wortelen binnen mijn werkcontext als algemeen directeur van Zonnelied: een organisatie die — deels op een centrale campus, deels gedecentraliseerd in huizen in de omliggende dorpen en steden — residentiële en semiresidentiële opvang en begeleiding organiseert voor honderdvijfenzeventig volwassenen met een matige tot ernstige mentale handicap, waarvan een twintigtal met bijkomende zware ‹gedragsstoornissen›. Deze laatste doelgroep stelt ons voor grote klinische problemen, naast de algemene thema's op het gebied van geestelijke gezondheidszorg voor de hele doelgroep überhaupt. In deze ‹institutionele› vorm van dienstverlening werken hoofdzakelijk pedagogisch geschoolde medewerkers. Daarom dringt zich een reflectie op, over de verhouding tussen opvoeden en begeleiden enerzijds en geestelijke gezondheidszorg anderzijds en dat binnen een ‹institutionele› dynamiek. Een van de referentiekaders om dit thema door te werken is — hoe vreemd ook — de psychoanalyse.
Opvoeden is een waardengedreven handelen met een minstens impliciete utopische intentie. In elk agogisch handelen schuilt adolescentengeweld dat wil helpen, verbeteren en normeren. Opvoeden heeft een missie en opvoeders zijn onverbeterlijke wereldverbeteraars. Niet voor niets wordt opvoedingswerk wel eens vergeleken met Procrustesarbeid waarbij de opvoedeling ‹behandeld› wordt tot hij past binnen de gewenste culturele vormen en patronen. Dit levensnoodzakelijke symbolische geweld, is een essentiële voorwaarde opdat de mens — het dier-dat-opgevoed-moet-worden volgens Langeveld (1969) — zelf tot authentieke vormgeving, ook van zichzelf, zou kunnen komen. Dit is wat Legendre, in navolging van het Romeinse vitam instituere, het ‹instellen› van het menselijke leven en samenleven noemt. In deze lijn wordt begrijpelijk waarom Freud (1925, p. 565) in het voorwoord van Aichhorns Verwaarloosde jeugd schertsend schrijft dat hij drie onmogelijke beroepen onderscheidt, namelijk