You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
‹Das Vergangene ist nicht tot, es ist nicht einmal vergangen› (Wolf 1977, p. 9).
Wie kent nog de twintig jaar geleden overleden Hongaarse psychiater-psycho-analyticus Lipót Szondi? Lange tijd kende zijn Schicksalsanalyse veel aanhangers in zowel het Nederlands- als het Franstalige gedeelte van België. Dit was mede te danken aan zijn ‹leerling› Jacques Schotte, die Szondi op 14 mei 1970 te Leuven voordroeg als eerste doctor honoris causa van de prille, autonome Faculté de Psychologie et des Sciences de l'Education. Schotte typeerde de ‹Meester› bij die gelegenheid als de ‹grootste der miskende en meest miskende der grote postfreudianen› (Schotte 1971, p. 420, vertaling JDV). Niemand kon op dat moment vermoeden dat de toekomst hem gelijk zou geven. L'Ecole de Louvain, onder leiding van onder anderen Schotte, Melon en Lekeuche, heeft nochtans kosten nog moeite gespaard om Szondi's inzichten theoretisch te onderbouwen. Daar waar de inzichten van ‹hun› Szondi nog spaarzaam ter sprake worden gebracht in Louvain-la-Neuve, lijkt het szondiaanse gedachtegoed het psychologische curriculum te Leuven reeds enkele jaren geruisloos te hebben verlaten. Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat Szondi en zijn Schicksalsanalyse voor vele analytici helaas dreigen niets méér te worden dan duistere schimmen uit een ver verleden.
In dit artikel wil ik een bescheiden aanzet geven tot een herwaardering van Szondi's Schiksalsanalyse. Deze ‹retour à Szondi› beoogt de grote krachtlijnen van zijn denken opnieuw bloot te leggen om duidelijk te maken hoe Szondi's oeuvre een originele bijdrage levert aan het psychoanalytisch gedachtegoed. Zo is de Schicksalsanalyse onder meer onmiddellijk relevant te noemen in relatie tot de recente psychoanalytische interesse in de hechtingstheorie (Fonagy 2001). Daarenboven bezit Szondi's geesteskind een kritisch potentieel voor