You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
Vanaf het eerste, inleidende hoofdstuk van Anna Freud, Melanie Klein, and the psychoanalysis of children and adolescents maakt de auteur, Alex Holder, de indruk van een ontgoochelde goudzoeker. Op zijn zoektocht naar het ware goud van de kinderanalyse vindt hij vooral een schat aan citaten die het gebrek aan ‹echte kinderanalyse› aanklagen, en de analytische kindertherapie beschrijven als een fauwe versie van de kinderanalyse. De kindertherapie leidt minder tot echte verandering, biedt minder materiaal, leidt tot minder hanteerbare negatieve overdracht.
Waar hij het werk van de therapeut als ‹even waardevol en analytisch› (p. 7) benoemt als dat van de analyticus, lijkt dit weinig gemeend. Nergens immers geeft hij ook maar iets weer van wat dan waardevol en analytisch zou zijn aan de analytische kindertherapie. Verder bekritiseert hij de kindertherapeut die zou ‹claimen ook kinderanalyses te doen›, zonder ooit te bespreken wat de implicaties zijn wanneer de analyticus zonder bijkomende opleiding kindertherapeutisch werk doet. Nochtans verwijst een van de vele citaten , naar de moeilijkheid voor de analytische kindertherapie ‹to offer an analytic posture, so that he risks alternating between the poles of analysis and education› (p. 7). Nochtans leer je juist in elke Europese opleiding tot analytisch kindertherapeut om in contact te blijven met je innerlijk analytisch denken temidden van krachtige realiteitsaanspraken, en niet te switchen naar een pedagogisch handelen. Holder idealiseert de frequentie van vijf sessies per week van de twee kinderanalyses die hij tijdens zijn opleiding uitvoerde, evenals die van zijn persoonlijke analyse. Hij geeft aan dat de pioniers van de kinderanalyse — waarvan na eliminatie nog Anna Freud en Melanie Klein overblijven — ook vijf keer per week werkten.
In hoofdstuk 2 gaat Holder vervolgens op zoek naar wie nu die ‹echte› pioniers zijn van de kinderanalyse, ‹in the proper sense of the term› (p. 19). En — hoe kan het ook anders gezien zij