You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
Reeds in 1930 schreef Sigmund Freud: ‹De mens is om zo te zeggen een soort prothesegod geworden, heel groots als hij al zijn hulporganen aandoet, maar ze zijn niet met hem vergroeid en bezorgen hem soms nog veel last› (Freud 1930, p. 114). In het begin van onze eenentwintigste eeuw behoren ondertussen verschillende vormen van genetische manipulatie, plastische chirurgie, het implanteren van pacemakers, kunstmatige gewrichten, hartkleppen, insulinepompen of elektronische zintuigen tot een lichamelijke realiteit van vele mensen. Ze maken deel uit van een bijna alledaagse werkelijkheid of van een bijna alledaags lichaams-Ik. Bij-na, maar de verwezenlijking van het ideaal is toch nog steeds ‹niet volmaakt, op sommige punten helemaal niet, op andere maar half› (Freud 1930, p. 114).
We kunnen inderdaad alleen maar vaststellen dat hulporganen, zoals bijvoorbeeld hoorapparaten en cochleair implantaten,1 blijkbaar toch niet zo gemakkelijk vergroeien met ons lijdend en genietend lijf als we hadden gedroomd. Wie legt er bijvoorbeeld zijn hoortoestellen niet naast zich neer in een gezellig, maar rumoerig cafeetje? Wie houdt het eigenlijk überhaupt uit om constant het geraas van de jachtige metropolis waarin we wonen, te versterken? Het zou ons vergaan zoals de twee mensen die op een mooie augustusdag in het jaar 1913 door een brede straat in Wenen liepen: ‹Honderden klanken waren tot één draadachtig gedruis ineengedraaid, waar hier en daar pieken uit opstaken, snel langs de scherpe kanten ervan liepen en zich weer effenden, waar heldere tonen vanaf splinterden en vervlogen› (Musil 1999, p. 11).
Apparaatjes zoals hoortoestellen en cochleair implantaten vereisen als Fremdkörper een soort aanvaarding en gewenning. Maar deze habituatie