You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
In dit artikel geef ik een beknopte reconstructie van Sigmund Freuds visie op de relatie tussen religie en mythologie, toegespitst op de vraag of het jodendom een eigen mythologie heeft en of Mozes nu een mythische held is of een historische figuur. Ik zal laten zien dat de toegepaste psychoanalyse met haar studies naar joodse mythologie en mythische helden geplaatst kan worden tegen de achtergrond van eerdere discussies in de opkomende vergelijkende godsdienstwetenschap en Völkerpsychologie over joodse mythologie. Daarnaast zal ik Freuds ideeën over (joodse) mythologie en zijn teksten over Mozes plaatsen in het kader van een ‹debat› met andere analytici over mythologie en helden.
Dat bredere kader is welkom. In de secundaire literatuur over de Mozesteksten van de laatste decennia lijkt de nadruk te liggen op de analyse van Freuds fascinatie voor de man Mozes. Gaat het in De Mozes van Michelangelo (Freud 1914) en De man Mozes en de monotheïstische religie (Freud 1937-39) niet om zijn eigen identiteit als jood, om de relatie met de vaderfiguur van zijn eigen religie en (dus) over de relatie met zijn vader (Rizzuto 1998)? Is De man Mozes niet een resultaat van zelfanalyse, een persoonlijk antwoord op het antisemitisme en een queeste naar een joodse held (Grubrich-Simitis 1997)? Door deze aandacht voor Freuds persoonlijke preoccupaties zijn een aantal perspectieven meer naar de achtergrond gedrongen, zoals de invloed van de vergelijkende godsdienstwetenschap op de toegepaste psychoanalyse, het ‹debat› tussen Freud en zijn leerlingen over de mythische held Mozes en Freuds opvatting over de relatie tussen mythologie en religie.
Traum und Mythus van Karl Abraham (1909) geldt als een van de eerste studies in de toegepaste psychoanalyse. Abrahams betoog stoelt op de constatering dat er in mythen en dromen vergelijkbare beelden en symbolen aanwijsbaar