You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
Mijn gedachten over ‹de kindertherapeut en de divan› werden aanvankelijk gestuurd door vragen van de symposiumcommissie, zoals: Heeft de divan meerwaarde voor een psychoanalytisch kindertherapeut? En zo ja, op welke wijze? Is het voor een kindertherapeut zinvol om in analyse te gaan of kan het ook heel goed zonder? Het spelende kind en het liggen en spreken op de bank lijken op het eerste gezicht twee uiteenlopende activiteiten, maar wellicht zijn er overeenkomsten tussen deze twee, en zijn er verbindingen te maken.
Daarover mijmerend, kwam ik onvermijdelijk ook bij de betekenis van mijn ‹persoonlijke analytische proces op de bank›. Ik heb geprobeerd enkele gedachten op een rijtje te zetten over hoe en waar ik ervaar dat deze persoonlijke analyse betekenis heeft voor mijn kindertherapeutische werk. Dat betekent dat in deze bijdrage niet wordt ingegaan op de vele redenen om als psychoanalytisch psychotherapeut — ongeacht of je met kinderen of volwassenen werkt — te kiezen voor een analytisch proces op de bank, en dat vooral wordt stilgestaan bij waar de bank en het kinderwerk elkaar raken en beïnvloeden. Ik zal drie cruciale elementen uitwerken: de capaciteit van de therapeut om te spelen, de capaciteit om zich te laten verrassen — nauw verbonden met gevoelens van ‹gecontained en gedragen› te zijn geweest — en de capaciteit om regressie te kunnen dragen en hanteren. Daarnaast wordt beschreven hoe de kindertherapeut leeft met het gevoel van ‹het kind in zichzelf dicht onder zijn huid›. Ten slotte wordt gereflecteerd over de wisselwerking tussen ‹op de bank›, ‹achter de bank›, en ernaast op de speelmat.
Volgens Winnicott (1968) moet een therapeut in staat zijn tot ‹spelen›. Wanneer hij dit niet kan, is hij niet geschikt voor dit werk. Dit geldt voor alle therapeuten, maar voor kindertherapeuten natuurlijk in het kwadraat. Maar wat