You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
De term ‹perversie› (Latijnse stam: pervértere = omdraaien, bederven, ontaarden) is afkomstig uit de theologie en betekent zoiets als ‹tegen de wetten van God›. In de verlichting werd dat: ‹tegen de wetten van de natuur›. Dit sloeg in het bijzonder op seksualiteit die voor iets anders gebruikt werd dan waarvoor deze bedoeld zou zijn: de liefde tussen man en vrouw en de voortplanting. Tegenwoordig weten wij niet meer goed wat tegennatuurlijk en pervers is. Misschien zouden wij daardoor speelser met het perverse deel van onszelf en onze patiënten kunnen omgaan. Maar zo onbevangen staan wij er nu ook weer niet tegenover: een eeuw psychoanalyse heeft ons geleerd dat het bij perversie niet alleen gaat om een kleurrijke, uitdagende, subversieve seksuele anarchie, maar dat het ook een krachtige manier kan zijn om vijandigheid en haat uit te drukken.
Voor ons is het zaak om het veelomvattende gebied van de perversies zo dynamisch mogelijk te benaderen. Daarvoor is de psychoanalyse bedoeld en voor een psychoanalyticus zijn de dynamiek en het procesmatige nu eenmaal interessanter dan de uiterlijke verschijningsvorm (Laplanche & Pontalis 1973; Etchegoyen 1991). Maar is het wel juist om de dynamiek centraal te stellen? Of gaat het — zoals clinici als Kernberg (1992, 2006) en Socarides (2004) stellen — om de ernst van de persoonlijkheidsstoornis waarbinnen de perversie optreedt? De categorische indeling die zij voorstellen vindt echter weinig navolging in de huidige psychoanalytische literatuur. Momenteel is er een breder begrip in omloop van wat in psychoanalytische zin ‹pervers› is. Minder specifiek, maar misschien wel verrijkend voor het klinische werk.
De psychodynamische benadering van de perversies begint uiteraard bij Freud (1905), die perversie en neurose in één klinische en theoretische samenhang zag. In zijn standaardartikel over het masochisme (Freud 1919) beschreef hij perverse fantasieën in een neurotische patiënte. De Ik-splijting beschreef hij aan de hand van het fe