You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
Het tweede symposium van de Nederlandse PsychoAnalytische Groep (NPAG), gehouden in de Nieuwe Kerk te Amsterdam, had als thema ‹liefde en haat in de psychoanalytische relatie›. Na de opening door voorzitter Rob Wille, waarin hij de NPAG plaatste als afwijkend van de GGZ in Nederland, maar overeenstemmend met ontwikkelingen in het buitenland, gaf Douwe Jongbloed in zijn inleiding een historisch zicht op hoe er door verschillende analytici over liefde en haat is geschreven.
In de eerste lezing kondigde Bien Filet aan ons waarschijnlijk te zullen teleurstellen, net zoals liefde en haat dat in het dagelijks leven doen. Ook Filet gaf zijn verhaal een historische opbouw, beginnend met Freud, die sprak van een liefdevolle, zorgende, tedere band en van spanningsreductie die geen blijvende bevrediging met zich meebrengt. Freud legde de nadruk op de invloed van de onbewuste fantasieen uit het seksuele kinderleven op latere relaties — ook de analytische — en op de moeilijkheid om zowel te begeren als lief te hebben. Freud besteedde vervolgens veel aandacht aan de angst voor liefdesverlies. Filet merkte hierbij op dat het merkwaardig is dat dit zo veel meer aandacht heeft gekregen dan het verlies van het vermogen tot haat of tot gehaat kunnen worden. Dit terwijl Freud beschrijft dat de haat aan de liefde voorafgaat en dat er geen liefde kan bestaan zonder dat de persoon zich via de haat heeft kunnen ontwikkelen. Filet besteedde vervolgens aandacht aan het feit dat de liefde verbonden is aan een illusie en steeds een verschoven liefde is: het vinden van een object is altijd een hervinden. Maar de haat is dus tevens noodzakelijk en de oedipale ontwikkelingstaak is dan ook het kunnen smeden van liefde en haat. Filet wees daarna op de verschuiving in de literatuur naar de vroege moeder-kindrelatie en de twee gebieden van postmoderne beroepsblindheid daarbij: dat er gedaan wordt alsof volwassenenproblematiek een regelrechte analogie zou zijn van de vroege moeder-kindrelatie en dat in