You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
De doodsdrift zorgt nog steeds voor discussie. Freuds (1920) uitgangspunt van een organische grondslag, waarmee hij de doodsdrift verhief tot een kosmologisch principe dat werkzaam is in de hele organische natuur, wordt doorgaans als te speculatief van de hand gewezen wegens het ontbreken van elke biologische basis ervoor (Van Coillie 2004, p. 44). Ook een meer psychologische benadering van de doodsdrift wordt vaak fundamenteel ter discussie gesteld. ‹We hebben we het concept, ook als we het bevrijden uit de biologische mal waarin Freud het goot, niet nodig om (zelf) destructieve klinische verschijnselen te verklaren›, klinkt het dan. Doet het herleiden van de doodsdrift tot een overbodige biologisering van de herhalingsdwang (Geyskens & Van Haute 2003, p. 15) of tot een overbodig fantasma van de totale bevrediging (Van Coillie 1999, p. 43; 2004, p. 61) geen onrecht aan het waardevolle dat dit problematische concept niettemin met zich heeft meegebracht? Mijn vertrekpunt is dat een afwijzing van een organische grondslag van de doodsdrift niet noodzakelijk betekent dat we de aura van inspiraties die het concept sinds 1920 heeft opgeleverd als overbodig van de analytische kaart moeten vegen. Ik wil op zoek gaan naar een psychologische benadering van de doodsdrift: kunnen we in de mens een dimensie onderscheiden die ultiem gericht is op het stilleggen, het ‹stillen› van de psychische werkzaamheid? Kunnen we de zo opgevatte doodsdrift een metapsychologische status toekennen waarvan het werkelijkheidsgehalte een louter fantasmatisch karakter overstijgt?
Elders (Thys 2006) beschreef ik de fascinatie als het verlammen of het stilvallen van het psychische leven, waarin elke affectiviteit en elk voorstellingsvermogen het zwijgen wordt opgelegd. In het onderhavige artikel wil ik uitwerken of deze visie een ingang kan bieden om de fenomenen waarop de doodsdrift betrokken wordt of die men aan de hand van dat concept begrijpelijk wil maken, te her-denken (zie Thys 2006, p. 207, no