You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
Evidence-based medicine vindt zijn wortels in het medische discours. De ‹transplantatie› naar de psychiatrie (als menswetenschap) is bijgevolg niet vanzelfsprekend. De auteurs van Psychoanalyse, cognitieve psychologie en evidence-based medicine beseffen dit. Ze stellen vragen, zoeken naar antwoorden en nemen standpunten in. Andreas De Block geeft in het eerste artikel, Hagedissenbloed en de kracht van het woord, een verrassend constructieve wending aan het placeboconcept. De specifieke werking van placebo is die van de psychische beïnvloeding. Bijgevolg is zijn stelling dat psychotherapie in het algemeen en psychoanalyse in het bijzonder zo veel mogelijk het placebo-effect dienen te maximaliseren. Dit betekent evenwel ook dat een aansluiting met de evidence-based stroming — waar het placebo-effect zo veel mogelijk geminimaliseerd wordt — niet ‹evident› is. Niettemin (of juist daardoor?) bepleit hij dat de psychoanalyse aansluiting zoekt bij die methodes die als essentieel voor de wetenschappelijkheid van een discipline beschouwd worden (p. 29). Is dit een cynische oplossing, zoals de auteur suggereert? Op het eerste zicht lijkt dit zo, aangezien het als een ‹overlevingsstrategie› van de psychoanalyse beschouwd kan worden. Dit gaat naar mijn mening in tegen de idee van een waarheidsstreven, dat de psychoanalyse (evenals de wetenschappen) intrinsiek kenmerkt. Zijn eindoproep sluit mijns inziens hierbij aan: evidence-based psychiatry moet het begrip ‹evidence› ruimer opvatten dan door de evidence-based medicine gehanteerd. Dit laatste heeft veel te maken met de constatering dat in de psychiatrie en zeker de psychotherapie feiten door de praktijk gemaakt worden (p. 30). De auteur vindt dit — terecht — een substantieel verschil met de evidence-based medicine. In Psychoanalyse, cognitieve therapie en evidence-based psychiatrie gaat Pieters vanuit de (cognitieve) gedragstherapie dieper in op deze triade. Eerst reflecteert hij over de psychoanalytische ‹splitsing› tussen An