You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
[…] want wij zijn lichamen, wij zijn vóór alles, in de eerste plaats en bijna uitsluitend lichamen, en de toestand van onze lichamen vormt de ware verklaring voor de meeste van onze intellectuele en morele opvattingen
De dood vormt de meest indringende werkelijkheid waar we in ons leven mee te maken krijgen. Dat maakt het belangrijk om ons zo veel mogelijk bewust te zijn van de plaats en de betekenis die de dood innerlijk heeft (Ariès 1987; Becker 1973; Elias 1984; Freud 1915; Kastenbaum 2004; Langs 2004; Tomer e.a. 2000). Dat belang is des te groter voor psychotherapeuten die hun behandelingen verrichten vanuit een psychoanalytisch referentiekader. Dit kader heeft als uitgangspunt dat de therapeut zichzelf in zijn werk als instrument gebruikt. Om dat goed te kunnen en het instrument niet al te vals te laten klinken is zelfkennis onmisbaar. Onvoldoende zelfkennis op het gebied van de eigen gevoelsinstelling tegenover de dood kan zichtbaar worden in de manier waarop de therapeut omgaat met de vreemde en deels paradoxale aspecten van de setting van een psychoanalytische behandeling (Ladan 2004, 2005, 2007; Langs 2004).
Vanuit deze achtergrond wil ik enkele dingen zeggen over de plaats van de dood in ons leven en over de betekenis die dat kan hebben in ons werk. Mijn uitgangspunt daarbij wordt gevormd door het bovenstaande citaat van Houellebecq.
Hoe krijgen we in de loop van de tijd met de dood te maken? Een globale indeling zou kunnen zijn:
als de dood van ‹gisteren›, waarbij het altijd om de dood van de ander gaat;
als de dood van ‹morgen›, waarbij de dood van onszelf in het geding is;
als de dood van ‹vandaag›, waarbij het om de ander of om onszelf kan gaan.
Bij de dood van gisteren is vaak sprake van ‹dood op afstand›, bijvoorbeeld